Blog III: Tijd voor een goed gesprek met de nieuwe minister van Justitie

‘Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.’ Die bepaling in onze Grondwet staat onder druk, hoe begrijpelijk misschien ook wegens maatschappelijke onvrede. Politici geven niet alleen in de pers soms een stem aan die onvrede door rechterlijke uitspraken te veroordelen. Ze vertalen die onvrede ook in wetgeving. Maar als de rechter in een afzonderlijke zaak door een wet iemand geen recht kan doen is het tijd voor een goed gesprek met de nieuwe minister van Justitie, met of zonder Veiligheid.

De afgelopen weken stonden de kranten er bol van. Rechters zouden steeds vaker het verbod om een taakstraf op te leggen aan bepaalde gewelds- en zedendelinquenten omzeilen. De discussie over de oplegging van de taakstraf is niet van gisteren. Al in oktober 2008 kondigde toenmalig minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin (CDA) een aanscherping aan met betrekking tot de wet voor het opleggen van taakstraffen door rechters voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. “Aanleiding hiertoe was onder meer de ZEMBLA-uitzending ‘Moord, doodslag, taakstraf’ van oktober 2007, waarin te zien was dat plegers van steeds zwaardere delicten alleen een taakstraf kregen. Zo kreeg een scoutingleider uit Vlaardingen een taakstraf voor ontucht en het vervaardigen van kinderporno”, meldde de Raad voor de rechtspraak in 2008. Opgelegde straffen zouden met deze aanscherping meer aansluiten bij de verwachting van en beleving in de samenleving.

Onder druk van een meerderheid in de Tweede Kamer die vóór beperking van het aantal opgelegde taakstraffen was, kondigde Hirsch Ballin een voorstel aan dat het rechters vrijwel onmogelijk zou maken om voor zeden- en geweldsdelicten, waarvoor ten minste zes jaar celstraf kon worden opgelegd, alleen een taakstraf te geven. Met dit voorstel zou ook uiteindelijk het maatschappelijk draagvlak van het strafmiddel van taakstraf worden vergroot. Dit alles terwijl in artikel 113 van de Grondwet is bepaald: “Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten”.

Na veel discussie in de Tweede en Eerste Kamer werd het uiteindelijke wettelijk verbod tot het opleggen van taakstraf pas in januari 2012 ingesteld. Bij verdachten van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij soortgelijke recidive binnen vijf jaar zou geen taakstraf meer mogen worden opgelegd. Van deze beperking kon alléén worden afgeweken als naast de taakstraf een ónvoorwaardelijke gevangenisstraf of een vrijheidsbenemende maatregel werd opgelegd (artikel 22b Wetboek van Strafrecht).

De Raad voor de rechtspraak meent onverminderd dat de politiek met dit wettelijk verbod de grondwettelijke beoordelingsvrijheid van de rechterlijke macht heeft ingeperkt en zo bovendien heeft gehandeld in strijd met de scheiding der machten – de trias politica. Door zich te mengen in de strafoplegging ging de wetgever op de stoel van de rechter zitten, meent de Raad.

Afgelopen weken was naar aanleiding van deze wet veel discussie in de media. De rechters zouden het verbod op het geven van taakstraffen steeds vaker omzeilen door, ondanks het wettelijk verbod van de taakstraf in zware zaken, in de praktijk toch op te leggen door deze te combineren met één dag cel. Enige nuancering lijkt hier op haar plaats. Dat rechters er vaker voor kiezen om een taakstraf te combineren met één dag cel, betekent volgens de Raad voor de rechtspraak niet dat ze “de wet omzeilen”, zoals gesteld in de media.

Zedendelicten bestrijken een breed spectrum. Want een ‘verkrachting’ kan variëren van het met geweld genitaal binnendringen van het lichaam tot een opgedrongen tongzoen. Zo zijn er aanrandingen waarvoor, als de rechter alle omstandigheden in aanmerking neemt, een taakstraf voldoende kan zijn. Die verscheidenheid in strafbaar gedrag dient dan ook tot uiting te komen in de zwaarte van de straf. Rechters houden daarom de celstraf, die ze volgens de wet óók moeten opleggen, in een voorkomend geval zo kort mogelijk. Ook huidig minister van Veiligheid & Justitie Blok (VVD) legde gevoel voor nuancering aan de dag. Hij kondigde een onderzoek aan naar de werking van het taakstrafverbod. Verstandige gedachte.

Rechters passen de wet toe, punt. Maar als je kijkt naar de geest van de wet in plaats van naar de letter van de wet is, wanneer het gaat om het opleggen van een taakstraf in combinatie met één dag cel, terughoudendheid op zijn plaats. De cijfers lijken anders te zeggen: bij de invoering van het wettelijk verbod in 2012 werd in dat jaar door rechters 83 keer een taakstraf met één dag onvoorwaardelijke cel uitgedeeld, in 2016 was dat reeds 622 keer (NRC Handelsblad, 19 januari 2017).

In de ogen van de rechtspraak dient deze wettekst klaarblijkelijk aangepast te worden.

Wat te doen? Vanuit diezelfde scheiding der machten is een gang naar de Wetgever geboden. Het vraagstuk ligt zwaar op de maag van de Rechtspraak, op zichzelf genomen zowel als rechtsstatelijk. Maar hoe fundamenteel het vraagstuk ook is, de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen zijn een gepasseerd station, de temperatuur van de verkiezingscampagne loopt inmiddels op en de kabinetsformatie zal hier evenmin over gaan.

Voor aanpassing van de wetstekst is het zaak dit vraagstuk nu al te delen met de betrokken ambtenaren op het departement en na de verkiezingen met de Kamerleden die als woordvoerder toetreden tot de commissie voor V&J. Wellicht kunnen rechtspraak, advocatuur en ook openbaar ministerie hierbij elkaar behulpzaam zijn. Uiteraard is het ook raadzaam om het door minister Blok aangekondigde onderzoek te begeleiden en te voorzien van de nodige informatie. Vervolgstap is een goed gesprek met de nieuwe minister van V&J.

Denis Naudin ten Cate

 

Denis Naudin ten Cate
Februari 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

  • Schinkelshoek & Verhoog
  • Smidswater 27
  • 2514 BW Den Haag
  • (070) 820 91 00